‘Das Heimweh hört doch nie auf’

Ik volg een opleiding aan de Schrijversacademie (kan ik iedereen die graag schrijft aanraden) en ter afsluiting van vier basismodules moesten mijn klasgenoten en ik een kort verhaal inleveren. Dit is mijn verhaal, getiteld:

Heimwee

‘Lieve God, laat me alstublieft veilig thuiskomen,’ fluisterde ik, terwijl ik mijn ogen dichtkneep en het bloed uit de knokkels van mijn in elkaar verstrengelde handen perste. ‘Dit is mijn enige wens, verder zal ik U nooit meer iets vragen. Dat beloof ik.’ Mijn wanhoop stak schril af tegen de plek waar ik me op dat moment bevond: op het toilet van een hotelkamer in een vredig Frans dorpje. Mijn leven was niet in gevaar, er stond geen verkrachter met een mes aan de andere kant van de badkamerdeur, het hotel was niet het doelwit van een mortieraanval, maar toch dacht ik op dat moment oprecht dat ik alles wat vertrouwd was nooit meer zou terugzien. Dat er auto’s, treinen en vliegtuigen gingen, dat ik desnoods naar huis kon gaan lopen, ging er bij mij niet in. Ziekmakende, giftige heimwee regeerde mijn verstand en gaf elke redelijke gedachte geen enkele kans.

Mijn wanhoop op dat Franse toilet was geen op zichzelf staande gebeurtenis, die ik later zou kunnen vergeten omdat er talloze reizen tegenover stonden waarop ik juist blij was ver van huis te zijn. Ze verliepen allemaal volgens hetzelfde scenario: zodra ik op mijn bestemming aankwam, werd ik bevangen door het hevige verlangen om rechtsomkeert te maken. Niet dat mijn reisgenoten daar iets van merkten. In hun gezelschap gedroeg ik me normaal, of wat daarvoor moest doorgaan. Maar zodra ik alleen was, kon ik degene zijn die ik werkelijk was: iemand die met schelle stem luchthavens belde om te vragen of ze meekon met het eerste vliegtuig naar huis (‘het maakt niet uit wat het kost’), zich handenwringend op bed liet vallen en huilend haar moeder belde die haar dan verzekerde dat ze zeker, absoluut weer thuis zou komen en dat zij en haar vader met ziek worden of doodgaan zouden wachten tot zij weer terug zou zijn. Toch bleef ik altijd waar ik was en maakte ik na thuiskomst meteen weer vakantieplannen. Dat kwam niet omdat ik zo’n doorzetter was of mijn heimwee overwon. Mijn drijfveer om steeds weer mijn koffer te pakken had een veel platvloersere reden: ik schaamde me. Ik ging nog liever dood dan dat ik aan mijn vrienden zou toegeven dat ik last had van heimwee. Als ik het hen zou vertellen, zouden ze zeggen dat ze mijn eerlijkheid ‘moedig’ vonden, maar achter mijn rug zouden ze me erom uitlachen. Heimwee was namelijk voor hen net zoiets bespottelijks als na een bezoekje aan het toilet rondlopen met je rok in je panty gepropt. Ik wilde net zo zijn als zij: niet een zielige vrouw met slordige toiletgewoonten, maar een globetrotter, die zich wentelde in jetlags en tijdverschillen. Schaamte liet me daarom tickets en hotelkamers boeken. Schaamte dwong me ook een sollicitatiebrief te schrijven naar dat bedrijf dat ‘enthousiaste accountmanagers’ zocht met ‘een passie voor reizen’.

‘Je zult minstens één keer per maand naar ons kantoor in Bangkok moeten,’ zei de man van personeelszaken tijdens het sollicitatiegesprek. ‘Is dat een probleem? Ik bedoel, heb je een man? Kinderen?’

‘Nee hoor, ik ben zo vrij als een vogel,’ antwoordde ik. ‘En ik ben dol op Bangkok.’ Toen de personeelsfunctionaris belde dat ik de baan had, deed ik alsof ik de loterij had gewonnen. Later rolde ik kreunend van angst over het tapijt, terwijl mijn darmen een hete rumba dansten. Ik verloor direct mijn eetlust, maar mijn vrienden reageerden uitzinnig op het goede nieuws. ‘Mag je élke maand naar Bangkok?, vroegen ze jaloers. ‘Ik wou dat ik jou was.’ Meteen daarna volgde de vraag of ik was afgevallen. Terwijl mijn kleren steeds ruimer werden en alles wat ik at smaakte naar dorre bladeren, begon ik aan mijn nieuwe baan. Ik lachte tijdens de vrijdagmiddagborrels om de verhalen van collega’s, die de dysenterie of knokkelkoorts die ze tijdens hun reizen opliepen net zo enthousiast bespraken als hun bezoekjes aan de Borobudur of Taj Mahal. ‘Ik had hier niet gestaan, als het aan die curry had gelegen,’ zei er eentje op weer zo’n vrijdagmiddag. ‘Het kamermeisje heeft me net op tijd ontdekt. Ik was he-le-maal uitgedroogd.’ Daarna hief hij zijn glas en proostten we op alle reizigersziekten.

Mijn eerste reis naar Bangkok kwam steeds dichterbij. Terwijl ik de tijd in een houdgreep probeerde te houden, worstelde hij zich los als een wild steigerend paard en ging ervandoor. De maanden voor mijn vertrek werden weken en toen opeens dagen. Als ik op straat liep, stelde ik me voor dat ik een ongeluk zou krijgen zodat ik thuis kon blijven. Over een uitstekende stoeptegel struikelen en mijn pols breken zou niet genoeg zijn, maar mezelf voor een vrachtwagen gooien vond ik weer te ver gaan. Dood hoefde ik niet, gewond raken was voldoende. Daarom speurde ik naar auto’s met bejaarden achter het stuur, die hooguit dertig reden maar me hopelijk wel een gecompliceerde beenbreuk konden bezorgen als ik – zogenaamd in gedachten verzonken – de straat zou oversteken. ‘We konden u niet meer ontwijken,’ zouden ze vol schuldgevoel zeggen tijdens het bezoekuur in het ziekenhuis, terwijl ze de door hen meegebrachte bloemen in een vaas schikten. Ik zou antwoorden dat ik hen helemaal niets verweet, dat ik zo in beslag werd genomen door mijn werk dat ik niet goed had opgelet. Tegen mijn baas, die natuurlijk ook op bezoek zou komen, zou ik hetzelfde zeggen, gevolgd door: ‘Ik vind het natuurlijk vreselijk, maar volgens de artsen moet ik minstens zes maanden revalideren. Ik kan dus voorlopig niet op reis.’ Hij zou vol begrip reageren. ‘Doe rustig aan,’ zou hij antwoorden. ‘Je gezondheid gaat natuurlijk voor.’

Fantaseren over een ongeluk was makkelijker dan echt tot daden overgaan, want ik besefte dat mijn wens iets te veel een gok uit de losse pols was. Voor een auto springen kon me een gebroken been opleveren, maar ook een gebroken nek. Maar op een middag, toen ik op weg was naar de apotheek om mijn malariapillen op te halen, kwam De Kans opeens aanrijden. Het was een zo te zien oude Japanner, vaalrood, met een bejaarde man als chauffeur. De zon scheen door de voorruit en de man reed met een hand aan het stuur, terwijl hij de andere als een zonneklep boven zijn ogen hield. De auto – die een beetje heen en weer slingerde – reed langzaam, maar snel genoeg voor mij. Op de stoeprand wachtte ik tot hij dichterbij kwam. De brillenglazen van de man blikkerden in het felle licht en ik haalde diep adem. Nog twintig meter, nog tien. Ik kneep mijn ogen dicht en deed een grote stap naar voren. De claxon van de Japanner jankte. Toen ik mijn ogen opendeed, zag ik dat hij een meter voor me tot stilstand was gekomen. De man schudde zijn vuist en tikte met zijn vinger tegen zijn voorhoofd. Terwijl hij onhoorbaar vloekend de motor liet loeien, bracht hij de auto weer in beweging waarbij hij op een haar na een langsrazende pizzakoerier miste.

Dat ik had gefaald zag ik als het bewijs dat ik te laf was om me het ziekenhuis in te laten rijden. Na de Japanner probeerde ik het nog een paar keer, maar steeds als ik voor een auto, een fiets of een brommer wilde lopen bevroor ik op de stoeprand. Ik kon mezelf met geen mogelijkheid in beweging krijgen, zelfs niet toen ik bedacht dat ik ook genoegen zou kunnen nemen met een verstuikte enkel toen ik een kleuter op een stepje in het vizier kreeg.

Op de dag voor mijn vertrek pakte ik mijn koffer, terwijl twee vriendinnen die langs waren gekomen om me een goede reis te wensen me in de weg liepen en maar doorratelden over hoe geweldig het was dat ik deze baan had gekregen. ‘Ik zou een moord doen voor zo’n kans,’ zei er een en ik stelde haar bijna voor om mij te kelen met het broodmes waarmee ze een stukje van de brie afsneed die ze in mijn koelkast had gevonden. Maar ik hield mijn mond. Ik belde wel een taxi om me naar het vliegveld te brengen en zette de wekker. De volgende morgen nam ik een douche, kleedde me aan en deed de deur op het nachtslot toen de taxi kwam voorrijden. Daar ging ik, met een handtas en twee koffers vol flesjes handgel en beddengoed (ik had inmiddels behalve heimwee ook een ernstige vorm van smetvrees ontwikkeld), een waterfilter, malariatabletten, drie dozen imodium en een klamboe. Op het vliegveld gaf ik mijn koffers af, betaalde het overgewicht van mijn bagage en checkte in. Ik toonde mijn paspoort aan de douanier die me een goede reis wenste, wandelde langs de winkels in de tax free zone en bestelde in een lunchroom een kop thee. Een paar uur later riep iemand mijn naam om en daarna nog een keer. Weer later belde mijn baas en ik zette mijn telefoon uit. Toen de ober langs liep bestelde ik een broodje en daarna nog een. En terwijl ik een hap nam, keek ik naar al die reizigers die hun vliegtuig moesten halen.

‘Das Heimweh hört doch nie auf’  is een citaat van de Duitse schrijfster/schilderes/vertaalster Fanny Gräfin zu Reventlow (1871-1918)

Schrijf hier je reactie!

*